Longarts Sander de Hosson - Waanzin

Aantal weergaven: 89400

Waanzin

"Ik zie haar angst en voel de waanzin die dit gezin doormaakt. Ik kan niets anders uitbrengen dan een bevestiging."

“Op verzoek van de chirurg aan het eind van je spreekuur,” zegt ze met een veelbetekenende blik. Mijn secretaresse staat in de deuropening. Ik ken deze blik en vooral het tijdstip ‘aan het einde van het spreekuur’. Het zijn ‘spoedplekjes’. Ofwel plaatsen voor afspraken die kunnen uitlopen in de lunchpauze. Ik kijk naar de foto. Een kleine tumor in de linkerbovenkwab; verder weinig afwijkingen. “Prima,” zeg ik.

Als ze binnen zijn, wijst hij mij de plek in zijn lies aan, waar hij nog geen week eerder pijnloze zwellingen had gevoeld. De chirurg heeft erin gebiopteerd en tot diens verbazing, blijkt het om longkanker gaan. Ik verbaas me niet. Na ruim een decennium longkanker behandeling ben ik nergens meer verbaasd over. Ik heb uitzaaiingen van longkanker in vrijwel elk orgaan gezien. Longkanker heeft niets met fatsoen te maken. Beschaafdheid en deze ziekte gaan niet samen.

Ik lees het verslag van de patholoog: ‘adenocarcinoom, beeld past bij longkanker’ en besluit aanvullende onderzoeken in te zetten, om te kijken of we een van de nieuwere middelen kunnen proberen. Het betekent wel dat we twee weken moeten wachten. “Maar die tijd hebben we wel.”

Twee weken later

Dat blijkt in het geheel niet te kloppen, besef ik als hij tot mijn verbazing in een rolstoel in mijn wachtkamer zit. Ik frons mijn wenkbrauwen en roep hem binnen. Zijn vrouw duwt hem voort en verontschuldigt zich: “Hij is wat gaan hyperventileren.” En alsof iemand in een dergelijke situatie de rust zou kunnen bewaren: “Hij is erg bang geworden van alle gebeurtenissen van de laatste weken. Het vreet aan hem, weet je.”

Als we zitten, valt inderdaad direct de versnelde ademhaling op. Maar op geen enkele manier oogt dit als hyperventilatie. Ik zie een fors benauwde patiënt, die naar lucht hapt. Ik pak mijn stethoscoop en vraag hem zijn trui omhoog te doen. “Morgen ga ik naar een psychiater, die kan hier vast wat aan doen,” fluistert hij.

Als ik naar zijn longen luister, hoor ik aan beiden kanten forse afwijkingen. “Dit is geen hyperventilatie, helemaal niet zelfs” zeg ik zacht. De in de haast gemaakte longfoto bevestigt mijn bange vermoeden. Het beeld is in twee weken volkomen veranderd. Was de tumor kort geleden nog klein, nu neemt hij de volledige linker bovenkant van de foto in. Waar eerder het middenrif aan beiden kanten nog goed te zien was, prijkt nu een forse hoeveelheid vocht. Het hart is sterk verwijd, een duister teken van vocht in het hartzakje. Tot overmaat van ramp zie ik dat overal in het resterend longweefsel grove en fijnere witte strepen zijn ontstaan. “Lymfangitis carcinomatosa,” huivert het door mijn hoofd. Uitzaaiingen in alle lymfebaantjes, een slecht teken.

Niet alleen ik, maar ook hij, zijn echtgenote en dochter kijken onthutst naar de foto.

“Dit is waanzin,” ontschiet me en ik schrik dat ik het hardop gezegd heb. De ontzetting is zo groot en zo oorverdovend dat het niet eens meer opvalt dat het minutenlang heel stil blijft, daar in de spreekkamer, aan het einde van het spreekuur. Ik doorkruis de stilte. “Ik neem u op.”

Een dag later

De zuurstof, maar liefst 6 liter per minuut, helpt, maar de benauwdheid is vooral verminderd door het weghalen van het vocht dat achter zijn long en in het hartzakje zit. Zijn conditie is door de snelle groei van de ziekte de laatste twee weken snel verminderd. We hebben afgesproken het nu over verdere behandeling te hebben. Maar we moeten ook eerlijk zijn. Wat is er te behandelen als een ziekte zich als een waanzinnige gedraagt? Als de toch al zo oneerlijke spelregels, op zo’n brute wijze gewijzigd worden. Als de tentakels van kanker in nog geen twee weken op deze wijze vat krijgen op alles dat belangrijk is.

En dat weet zijn dochter ook. Ze is een twintiger en zit pontificaal op het voeteneind van zijn bed, tussen zijn benen in, met haar elleboog rustend op zijn knie. Nog voor ik zit, begint ze te praten. Het gaat door merg en been. Over benauwdheid, over haar vader die nog geen maand geleden nog volop op de fiets zat. Over zijn ijzeren conditie. En over de vrije val naar beneden. De benauwdheid. De verschrikkelijke nachten. Het gebrek aan handvaten om grip te krijgen op deze situatie. De oneerlijkheid. De vernedering.

Haar betoog eindigt met de enige vraag die ze aan me heeft. Het is nauwelijks een vraag. “Hij gaat dood, hè? Hij gaat snel dood, heel snel, toch?”

Mijn lijf zijgt ineen. Een trilling door mijn lichaam. Haar blik. Moedeloosheid. Wat kan ik zeggen? Ik voel de krachteloosheid van dit moment. Hier passen geen woorden over standaardbehandelingen, geen hoopvolle beloften over nieuwste behandelmogelijkheden. Bij zijn zeer matige conditie is elke op tumorgerichte behandeling een rampkoers die het leed alleen maar groter zal maken. Er is geen antwoord op krankzinnigheid.

Ik zie haar angst en voel de waanzin die dit gezin doormaakt. Ik kan niets anders uitbrengen dan een bevestiging. “Ja… Ja.”

“Dan wil ik naar huis,” zegt hij, bijna emotieloos. “Dan wil ik naar huis om daar te sterven.” Zijn vrouw en dochter pakken hem vast. Ze knikken. “Naar huis.” En de emotie valt pas als zijn dochter opveert en de armen om hem heen slaat.

Als laatste praten we over de dood. Ik zie het als mijn expliciete taak om als zorgverlener in het ziekenhuis het traject daarnaartoe zo goed mogelijk voor te bereiden. Om een radartje te zijn in de hoopvolle doorontwikkeling van palliatieve zorg in Nederland die alles in het werk zet om de waardigheid van het leven te bewaken tot in de laatste seconde van dat leven, zo goed en kwaad als dat zal gaan. Geen onnodige medicatie. Een schouder. Een morfinepompje tegen benauwdheid. Zuurstof. Terminale thuiszorgverpleegkundigen. Goede overdracht met de huisarts. En daar mag echt helemaal niets verkeerd gaan. Dat zit echt in mijn uiterste allergie.

Afscheid

Daar ligt hij. Op een brancard van de ambulance. Met vol respect wordt hij door de ambulanceverpleegkundigen omhoog getild. Nauwelijks mocht ik hem leren kennen. De antwoorden die ik zou kunnen hebben, bleken al op voor de vragen überhaupt gesteld konden worden.

In het antwoordloos afscheid dat volgt, schuilt iets moois. Het is de menselijkheid binnen al de waanzin die ik nu zo krachtig voel. Zijn uitgestoken hand, trots. Ik pak hem vast en slik. Een huivering over mijn rug. Zijn hand. Haar hand in de buurt. We knijpen zacht. Het is een kort saluut van nabijheid, die ik zo nadrukkelijk beleef. En dan volgt dat “Dag,” hij zegt het zacht. En rijden ze weg. Naar huis.

(c) Longarts Sander de Hosson

Image

Auteur: Sander de Hosson

Meer links

IconClassfa-newspaper-o

Laatste levensfase bespreekbaar

Het is nooit te vroeg om na te denken over de laatste levensfase. Over wat voor jou, je naasten, je cliënten of patiënten van waarde is in het leven. Nodig ze uit om erover te praten. Een eerste stap daartoe kan zijn om wensen op papier te zetten. Een mooie vorm is een brief. Probeer het eens uit... 

Schrijf een brief



Landschap van palliatieve zorg

Welke partijen zijn er werkzaam in de palliatieve zorg? Hoe verhouden ze zich tot elkaar? Bekijk de infographic.